Frequently Asked Questions

1969

Een 'gepensioneerde' aartsbisschop, mgr. Marcel Lefebvre, stemt er in toe een handjevol jonge seminaristen te helpen die ontevreden zijn met de richting die post-Vaticanum II seminaries hebben ingeslagen bij de vorming van hun priesters. Hij doet dit, niet alleen door hun training ter hand te nemen, maar ook door het stichten van een broederschap die tot doel heeft het priesterlijk leven te bevorderen en te cultiveren overeenkomstig de wijze normen en gebruiken van de Kerk van voorbije dagen.

1 nov. 1970

De Priesterbroederschap St. Pius X wordt officieel erkend door de bisschop van Lausanne, Genève en Fribourg, mgr. Charrière. Daarom is zij in waarheid een nieuw twijgje dat de Kerk heeft voorgebracht.

18 feb. 1971

Kardinaal Wright, prefect van de Congregatie voor de Clerus, vaardigt een decreet uit waarin hij de wijsheid van de statuten van de priesterbroederschap prijst.

10 juni 1971

Aartsbisschop Lefebvre kondigt samen met de staf van het seminarie van St. Pius X te Ecône de weigering aan de Novus Ordo Missae aan te nemen.

1971-1974

Kardinaal Wright's brief wordt gevolgd door andere zekere tekenen van Rome's volledige acceptatie van de Priesterbroederschap St. Pius X:

Door toe te staan de twee huizen in Zwitserse diocesen alsmede het ene huis in een Italiaans bisdom van de broederschap canoniek op te richten.
Door toe te staan dat er drie priesters van buiten tot de broederschap toetreden en er rechtstreeks in geïncardineerd worden.

Tijdens dezelfde jaren deed de Franse bisschoppenconferentie haar best de broederschap en haar seminarie te onderdrukken.

1 nov. 1980

Op haar tiende verjaardag had de Priesterbroederschap St. Pius X 40 huizen op twee continenten.
Op haar 25ste verjaardag had de Priesterbroederschap St. Pius X 4 bisschoppen, meer dan 360 priesters, 50 broeders, 120 zusters en 53 zusters-oblaten, die samenleven in 140 huizen in 27 landen. Allen hebben zij het doel van het priesterschap voor ogen: de meerdere glorie van God, de voortzetting van Gods verlossingswerk, de redding van de zielen. Zij bereiken dit in trouw aan de nalatenschap van Christus, het Heilig Offer van de Mis.  

29 november 1905

Marcel Lefebvre wordt geboren in een goed katholiek gezin. Vijf van de acht kinderen worden priester of non.

21 september 1929

Marcel Lefebvre wordt priester gewijd.

1932-1945

Als pater van de H. Geest (ook wel Spiritijn genoemd) wordt hij missionaris in Gabon, Afrika.

18 september 1948

Pater Lefebvre wordt bisschop gewijd en aangesteld tot Apostolisch Vicaris van Dakar, Senegal, Afrika. [Pater Lefebvre wordt bisschop gewijd]

1948-1959

Bisschop Lefebvre is Apostolisch Delegaat voor 18 Afrikaanse landen.

14 september 1955

Mgr. Lefebvre wordt de eerste aartsbisschop van Dakar.

1962

Zijne Excellentie keert terug naar Frankrijk en wordt bisschop van Tulle.

1962-1968

[mgr. Lefebvre op audientie bij paus Pius XII] Aartsbisschop Lefebvre wordt gekozen en treedt op als Generaal Overste van de Paters van de Heilige Geest tot hij ontslag neemt en met emeritaat gaat wegens de veranderingen die hij anders zijn congregatie genoodzaakt was op te leggen.
Intussen maakte mgr. Lefebvre ook nog deel uit van de voorbereidende commissies voor Vaticanum II, die de schemata moesten opstellen.

1969

Mgr. Lefbvre sticht de Priesterbroederschap St. Pius X.

1970-1982

Hij treedt op als eerste algemeen overste.

1970-1988

Tot hij, met het oog op zijn te verwachten dood, opvolgers wijdt, doet hij alles wat binnen zijn vermogen ligt om trouw te zijn aan de genade van zijn bisschoppelijke staat, reist de wereld af om katholieke te bemoedigen die vasthouden aan het geloof en de tradities van hun voorvaderen, vormt hun jongeren en wijdt priesters voor hen.

25 maart 1991

Aartsbisschop Marcel Lefebvre verschijnt voor zijn Eeuwige Rechter.

Een testament: Een journalist vroeg mij onlangs wat mijn beste herinnering aan de aartsbisschop persoonlijk was. Ik gaf wellicht een verrassend antwoord: zijn objectiviteit. Hij had natuurlijk een unieke, aantrekkelijke persoonlijkheid omdat hij een heilige was: zachtmoedig, vriendelijk, eenvoudig, nederig, humoristisch enz..., zonder een spoor van sentimentaliteit, maar dat was het punt niet. Onder dat alles lag een grote intelligentie, een groot geloof en een grote karakterstabiliteit, maar ook dat was het punt niet. In wezen was hij een man die leeg was van zijn zelf en vol van God. Hem te ontmoeten, met hem te spreken, was - door hem heen - de waarheid te zien, onze Heer Jezus Christus, de katholieke Kerk. Hij was als een venster ten behoeve van God. Niet hij, maar Christus leefde in hem, en toch was hij Marcel Lefebvre en niemand anders. En wat was hij een fantastische man!

Was de Priesterbroederschap St. Pius X niet wettelijk opgeheven?

1 nov. 1970

De broederschap is wettig en canoniek gesticht (VRAAG 2)

1971-1974

Niettemin maakten de Franse bisschoppen bezwaar tegen de vòòr-Vaticanum II-manieren van Ecône, dat Novus Ordo Missae (VRAAG 5) duidelijk afwees, en belasterden het als sauvage (wild in de zin van woest en ongetemd). Een van hen, de staatssecretaris van paus Paulus VI, kardinaal Villot, verleidde de H. Vader er toe te geloven dat aartsbisschop Lefebvre zijn priesters een verklaring tegen de paus liet ondertekenen (Aartsbisschop Lefebvre, Fideliter, nr. 59, blz. 68-70).

11-13 nov. 1974

Er vindt een apostolische visitatie plaats van het seminarie te Ecône. Op zichzelf is dit een normale procedure. Haar conclusies - ofschoon nooit gepubliceerd - waren: "very favorable" (zeer begunstigenswaardig), volgens kardinaal Garonne, "behalve dat u de nieuwe liturgie niet gebruikt en dat er een enigszins anticonciliaire geest heerst" (Ibid., blz. 67). De visitatoren echter schandaliseerden iedereen door hun onorthodoxie visie, en herinnerden aan aartsbisschop Lefebvre's zogenaamde Declaration (zie Appendix 1).

13 februari en 3 maart 1975

Aartsbisschop Lefebvre komt met een geïmproviseerde commissie van drie kardinalen bijeen, zogezegd om de apostolische visitatie te bespreken, maar in feite als enige verdediger voor een tribunaal dat zijn Declaration aanvalt. Omdat hij niet gewaarschuwd is met betrekking tot de aard van deze "processen", heeft hij geen advocaat en een kopie van het vergaderingsverslag wordt hem niet toegestaan , ofschoon men hem dat wel beloofde.

6 mei 1975

De ongeregelde commissie van kardinalen veroordeelt aartsbisschop Lefebvre, en vindt zijn Declaration, "op alle punten onacceptabel." Zij schrijven aan bisschop Mamie (de opvolger van bisschop Charrière te Fribourg) en zeggen hem de goedkeuring van zijn voorganger van de Priesterbroederschap St. Pius X in te trekken, iets wat ruimschoots hun macht te boven ging. (Wanneer een bisschop een congregatie eenmaal heeft goedgekeurd, kan alleen de paus deze opheffen. Cf. 1917, Codex Iuris Canonici, Canon 493).

5 juni 1975

Aartsbisschop Lefebvre legt een verzoekschrift voor aan de Apostolische Signatuur in Rome met de volgende inhoud:
"...het is aan de Heilige Congregatie voor de Geloofsleer om vast te stellen of mijn Declaration het spoor bijster is. Levert u als het u belieft het bewijs dat deze commissie van kardinalen uitdrukkelijk werd gemandateerd door de paus (die door zijn eigen autoriteit de congregaties kan passeren) om te besluiten zoals geschied is. En indien ik het spoor bijster ben, kan ik natuurlijk worden gecensureerd, maar niet de congregatie die in de juiste canonieke vorm werd gesticht."

(Dit bewijs werd nooit geleverd. Twijfel omtrent de geldigheid van een wet excuseert de observatie ervan. Hoeveel te meer geldt dit niet in geval van twijfel omtrent de autoriteit van de wetgever!)

Kardinaal Villot zorgt ervoor dat het verzoekschrift niet wordt geaccepteerd. Kardinaal Staffa wordt met ontslag bedreigd als hij een verzoekschrift van aartsbisschop Lefebvre durft te aanvaarden. (Vatican Encounter, blz. 85 en 191; Appendix III)

Paus Paulus VI wordt overgehaald een brief aan aartsbisschop Lefebvre te schrijven dat hij alle handelingen van de kardinalencommissie goedkeurde. (Het is onmogelijk dat slechts een pauselijke goedkeuring in juni kracht zou kunnen bijzetten aan deze commissie die de vorige februari bij elkaar kwam. Principe 10b).

"...we zijn veroordeeld zonder een proces, zonder de gelegenheid onszelf te verdedigen, zonder rechtsgeldige waarschuwing of schriftelijk proces en zonder de mogelijkheid tot beroep." (Open Brief aan de verbijsterde katholieken, Appendix III)

Over deze hele gang van zaken is de observatie van aartsbisschop Lefebvre:

Bovendien, de canonieke kwestie overstijgend, blijft die van de natuurwet. Moet men een censuur observeren wanneer geen misdaad kan worden aangewezen of wanneer de autoriteit zelf - om nog niet eens te spreken over de identiteit van de rechter - dubieus is?

Terug naar het overzicht

Was aartsbisschop Lefebvre niet gesuspendeerd van de uitoefening van alle heilige functies, samen met alle priesters die door hem gewijd werden?

27 oktober 1975

Kardinaal Villot schrijft aan de hele wereldhiërarchie om te zeggen dat zij niet langer priesters mogen incardineren van de Priesterbroederschap St. Pius X, omdat deze opgeheven is. (cf. Michael Davies, Apologia Pro Marcel Lefebvre, vol. I, blz. 136)

12 juni 1976

Mgr. Benelli schrijft aartsbisschop Lefebvre; hij draagt hem op geen priesters te wijden zonder permissie van hun plaatselijke bisschop.

29 juni 1976

Mgr. Lefebvre voltrekt de priesterwijdingen zoals was voorzien.

1 juli 1976

De "suspensie" van aartsbisschop Lefebvre en zijn nieuw-gewijde priesters wordt verklaard.

Een eerste observatie

De Priesterbroederschap heeft het recht haar religieuze leven te leiden.

Door de goedkeuring van de Priesterbroederschap St. Pius X, keurde de Kerk ook goed dat zij leeft en alle noodzakelijke middelen moet hebben om haar religieuze leven te leiden en haar doeleinden te vervullen. Dit is een fundamentele overtuiging, rekening houdend met de nietigheid, de ongeldigheid van haar opheffing. (VRAAG 3)

Als de Priesterbroederschap St. Pius X niet wettig was opgeheven, was het onrechtvaardig te pogen kandidaten te weerhouden zich bij haar te voegen.

Aartsbisschop Lefebvre kon dit recht op incardinatie redelijkerwijs aannemen na de lovende brief van kardinaal Wright, na de Congregatie voor de Clerus, die toestond dat reguliere priesters die overgingen naar de Priesterbroederschap direct daarin konden worden geïncardineerd, en nadat bisschop Adam (van Sion/Sitten) oordeelde, dat de fraterniteit, omdat zij inter-diocesaan was, deze procedure mocht veralgemenen (The Angelus, april 1987, blz.3, en Fideliter, nr. 55, blz. 3 en volgende). Dus het echte probleem was meer dan canoniek.


In eerste instantie is de suspens een aanval op de traditionele H. Mis

In de drie weken voorafgaand aan de priesterwijdingen van 29 juni 1976 werd mgr. Lefebvre tot zesmaal toe benaderd door Rome met het verzoek normale betrekkingen met het Vaticaan aan te knopen en daarvan bewijs te leveren door middel van het lezen van de H. Mis volgens de nieuwe ritus. Hem werd gezegd, dat als de wijdingen de 29ste plaats zouden vinden met het missaal van paus Paulus VI, alle oppositie zou worden gestaakt.
Dit aanbod werd de aartsbisschop gedaan op het vigilie van het feest (de avond tevoren) Eén enkele Novus Ordo Missae en alles zou weer in orde zijn. Hierin zien we overduidelijk de meest fundamentele reden voor de campagne tegen aartsbisschop Lefebvre en zijn priesterbroederschap: exclusieve aanhankelijkheid aan de oude H. Mis en de weigering de nieuwe op te dragen.

Ma ar:
 

  • de Novus Ordo Missae kan niet worden opgedragen (cf. VRAAG 5)
  • en de oude H. Mis kan altijd worden opgedragen

Daarom zijn de suspensies zonder waarde:
 

  • canoniek, omdat zij onbillijk zijn
  • fundamenteel omdat zij geconstrueerd zijn met het oog op de afschaffing van de traditionele Latijnse H. Mis.

Maar zelfs al zijn ze onrechtvaardig, moet dan de censuur worden gehoorzaamd?
 

  • Als uitsluitend zij, die er aan blootstaan er onder zouden lijden, JA, dan zou dat de meest aangewezen weg zijn om te handelen.
  • Als er sprake is van het beroven van ontelbare zielen van de genaden die zij voor hun heil nodig hebben, dan moet de censuur NIET worden geobserveerd, dan kan men dat niet.


Tegen de achtergrond van een dergelijke onderdrukkingscampagne kon de broederschap alleen maar doorgaan. Bovendien heeft Rome de legitieme voortzetting van de Priesterbroederschap St. Pius X altijd impliciet erkend (bijvoorbeeld in mei 1988, toen kardinaal Ratzinger toestemde in het principe van de wijding van een bisschop, afkomstig uit de eigen priesters van de broederschap) en de nulliteit van de suspensies (bijvoorbeeld, toen in dec. 1987 kardinaal Gagnon niet aarzelde als prelaat de H. Mis van de "gesuspendeerde" aartsbisschop bij te wonen).

Terug naar het overzicht

Waarom zouden katholieken niets met de Novus Ordo Missae te maken moeten hebben?

A) Opmerkingen vooraf

Een kritiek op de “nieuwe ritus” kan geen kritiek op de H. Mis zelf zijn, omdat dit het echter Offer van onze Heer is dat Hij aan zijn Kerk heeft nagelaten. Maar het is een onderzoek naar de geschiktheid van de ritus om dit verheven Offer uit te beelden en te belichamen.
Voor hen die niets anders hebben gekend dan de Novus Ordo Missae is het moeilijk te begrijpen waarvan zij beroofd zijn, en lijkt het bijwonen van een “Latijnse Mis” dikwijls vreemd, oneigen. Om duidelijk te zien waar het allemaal om gaat, is het noodzakelijk een helder begrip te hebben van de gedefinieerde geloofswaarheden met betrekking tot de H. Mis (Principes, 11-18 zijn er enkele van). Uitsluitend in het licht daarvan kan de “nieuwe ritus” van de Mis worden gewaardeerd.

B) Wat is de NOVUS ORDO MISSAE?

Laten we dit beantwoorden door te kijken naar zijn vier oorzaken, zoals de filosofen zouden zeggen:
 

  1. Wat zijn de elementen die de nieuwe ritus uitmaken? Sommige zijn katholiek: een priester, brood en wijn, kniebuigingen, kruistekens enz., maar andere zijn protestant, zoals een tafel, gewone, alledaagse gebruiksvoorwerpen, communie onder twee gedaanten en in de hand enz.
     
  2. Welnu, de Novus Ordo Missae neemt deze heterodoxe elementen aan samen met de katholieke, om een LITURGIE VOOR EEN MODERNISTISCHE GODSDIENST te vormen die de Kerk met de wereld verenigt, het katholicisme met het protestantisme, het licht met de duisternis. De Novus Ordo Missae presenteert zichzelf als:
     
  • Een maaltijd (zie Principe 11). Dit blijkt uit het gebruik van een tafel rondom welke het volk van God bijeenkomt om brood en wijn te offeren (Principe 18) en om te communicerenn van veeleer alledaags keukengerei, vaak onder twee gedaanten (Principe 15) en gewoonlijk in de hand (Principe 16). Let ook op de bijna volledige verdwijning van referentie aan een offer.
  • Een verhaal van een voorbije gebeurtenis (Principe 12). Hardop verteld door degene die “voorgaat” (Principe 14), die omstandig de woorden van onze Heer opnieuw verhaalt zoals die in de H. Schrift staan (liever dan een sacramentele formule uit te spreken) en die niet pauzeert totdat hij de Hostie aan het volk heeft getoond.
  • Een bijeenkomst van de gemeenschap (Principe 13). De aanwezigheid van Christus beschouwt men wellicht als een morele, zijn sacramentele tegenwoordigheid negeert men (Principes 16 en 17).

Let ook op de talrijke veranderingen in de rubrieken:
 

  • De celebrant met zijn gezicht naar de gelovigen gekeerd, op de plaats waar vroeger het tabernakel stond.
  • Na de consecratie acclameert het volk “totdat Hij komt”.
  • De Heilige Vaten zijn niet langer verguld.
  • Heilige partikels (van de H. Hostie) worden genegeerd (Principe 15).
  • De priester houdt duim en wijsvinger niet meer tegen elkaar na de consecratie.
  • De H. Vaten worden niet gereinigd zoals gebruikelijk was.
  • De H. Communie wordt meestal in de hand gegeven.
  • Kniebuigingen van de priester en het knielen van de gelovigen zijn sterk gereduceerd.
  • Het volk neemt veel van wat de priester vroeger deed over.


Bovendien definieert de Novus Ordo Missae zichzelf als volgt: De maaltijd van de Heer is een heilige synaxis of samenkomst van het volk van God, bijeengekomen onder voorzitterschap van de priester om de gedachtenis van de Heer te vieren (Paus Paulus VI, Institutio Generalis, § 7, versie van 1969)

C) Wat is het doel van deze NOVUS ORDO MISSAE als ritus?

…de bedoeling van paus Paulus VI met betrekking tot wat gewoonlijk de Mis wordt genoemd, was om de katholieke liturgie op een dergelijke manier te hervormen, dat zij bijna geheel zou samenvallen met de protestantse liturgie… er was bij paus Paulus VI een oecumenische intentie om te verwijderen, of ten minste te corrigeren, of minstens de teugels te laten vieren bij hetgeen te katholiek was, in de traditionele zin, in de Mis en, ik herhaal, om de katholieke Mis dichter bij het calvinistische avondmaal te laten komen… (Jean Guitton op 19 december 1993 in Apropos [17], blz. 8vv.; Christian Order, okt. 1994. Jean Guitton was een intieme vriend van paus Paulus VI. Paulus VI bezat 116 van zijn boeken en schreef notities in de marge van 17 daarvan.)

Toen ik aan deze trilogie begon te werken was ik bezorgd over de mate waarin de katholieke liturgie geprotestantiseerd werd. Naarmate mijn studie gedetailleerder werd, werd hoe langer hoe evidenter dat de liturgie het protestantisme voorbij was en dat het uiteindelijke doel het humanisme is. (Michael Davies in Pope Paul’s New Mass, blz. 137 [cf. blz. 149] [Appendix II].

Het laatste is een eerlijke evaluatie als men rekening houdt met de opgelegde veranderingen, de behaalde resultaten en de tendens van de moderne theologie, zelfs de pauselijke theologie (cf. Vraag 7)

D) Wie heeft de NOVUS ORDO MISSAE gemaakt?

Het is de uitvinding van een liturgische commissie, Consilium, met pater Annibale Bugnini (hij werd als dank voor zijn diensten aartsbisschop gemaakt in 1972) als verlicht leider voorop, bijgestaan door zes protestantse deskundigen. Pater Bugnini (voornaamste auteur van Sacrosanctum Concilium van Vaticanum II) had zijn eigen ideeën over betrokkenheid van het volk in de liturgie (La Riforma Liturgia, A. Bugnini, Centro Liturgico Vincenziano, 1983), en de protestantse adviseurs hadden hun eigen ketterse ideeën over de essentie van de Mis. Maar degene op wiens autoriteit de Novus ordo Missae was opgelegd was paus Paulus VI, die deze “promulgeerde”met zijn constitutie Missale Romanum van 3 april 1969.

Of was het eigenlijk toch paus Paulus VI?
 

  • In de originele versie van Missale Romanum, ondertekend door paus Paulus VI, werd niets gezegd over de verplichting de Novus Ordo Missae te gebruiken of wanneer een dergelijke verplichting zou beginnen.
  • De vertalers van de constitutie vertaalden cogere et efficere ( dat is: bij elkaar nemen en een conclusie trekken) als: wettig bekrachtigen.
  • De versie in de Acta Apostolicae Sedis heeft een toegevoegde paragraaf die het nieuwe missaal “vergezelt”, maar het staat in de verkeerde tijd, de verleden tijd, en leest praescripsimus (d.i. wat wij hebben bevolen), daarbij refererend aan een voorbije verplichting, en bovendien, Missale Romanum schrijft niets voor, maar staat ten hoogste het gebruik van de nieuwe ritus toe (The Angelus, maart 1997, blz. 35).

Kan het waar zijn dat paus Paulus VI dit missaal wenste, maar dat het niet op de juiste manier is opgelegd (het is bovendien algemeen bekend, dat paus Paulus VI de Institutio Generalis heeft getekend zonder die te lezen en zonder zich er van te verzekeren dat het stuk was nagezien door het Heilig Officie).

E) Oordelen over de NOVUS ORDO MISSAE

Toen zij de Novus Ordo Missae op zichzelf beoordeelden, in zijn officiële Latijnse vorm, schreven de kardinalen Ottaviani en Bacci aan paus Paulus VI op 25 september 1969:

…de Novus Ordo betekent, zowel in zijn geheel als in de details, een frappante verwijdering van de katholieke theologie van de H. Mis, zoals die op de 22ste zitting van het Concilie van Trente werd geformuleerd.

En aartsbisschop Lefebvre stemde beslist met hen in toen hij schreef:

De Novus Ordo Missae, zelfs als deze vroom en met respect voor de liturgische regels wordt gelezen, is geheel doortrokken van de geest van het protestantisme. Het draagt een gif in zich dat schadelijk is voor het geloof. (in: Open brief aan verbijsterde katholieken, Appendix III)

Het verhullen van katholieke elementen en het uitbuiten van protestantse, hetgeen evident is in de Novus Ordo Missae maken het tot een gevaar voor ons geloof, en, als zodanig, tot een kwaad, vooropgesteld dat het goede dat de heilige ritus van de Mis moet hebben er aan ontbreekt. Aan hun vruchten zult ge ze kennen: Er was ons beloofd dat de Novus Ordo Missae het katholieke vuur, de katholieke gloed zou vernieuwen, de jeugd zou inspireren, de verslapten terug zou brengen en niet-katholieken zou aantrekken.

Wie kan er vandaag zeggen dat deze zaken de vruchten van de Novus Ordo Missae zijn? Kwam er niet tegelijk met de Novus Ordo Missae in plaats van vruchten een dramatische neergang in Misbezoek en roepingen, een “identiteitscrisis” onder de priesters, een afname van het aantal bekeringen en een snelle toename van afvalligen? Dus, gezien vanuit het aspect van zijn voortbrengselen is de Novus Ordo Missae geen ritus die bevorderlijk is voor de bloei van de opdracht van de Kerk.

F) Volgt uit de promulgatie door de paus dat de NOVUS ORDO MISSAE waarachtig katholiek is?

Neen, want de onfeilbaarheid van de Kerk voorkomt niet dat de paus persoonlijk gebrekkige en modernistische riten zou kunnen bevorderen in de Latijnse ritus van de Kerk.

Bovendien: de Novus Ordo Missae
 

  • is de Kerk niet opgedrongen, want de traditionele Latijnse H. Mis kan altijd worden opgedragen (Principe 19)
  • is niet regulair gepromulgeerd (zie hierboven)
  • en de kerkelijke onfeilbaarheid is er niet bij betrokken.

Herinneren wij ons dat een paus zijn onfeilbaarheid niet slechts inschakelt bij leerstukken over geloof of zeden (of wetgeving die daar noodzakelijkerwijs verband mee houdt) maar als hij het doet, dan met volledige pontificale autoriteit en definitief (cf. Vaticanum I, DS 1839).

Maar met betrekking tot de Novus Ordo Missae heeft paus Paulus VI verklaard (op 19 november 1969) dat:

«… de ritus en de daaraan gerelateerde rubrieken zijn geen dogmatische definitie op zichzelf. Er kunnen verschillende theologische kwalificaties voor gelden, afhankelijk van de liturgische context waarmee zij verband houden. Het zijn gebaren en termen, gerelateerd aan een beleefde en levende godsdienstige handeling die het onuitsprekelijke mysterie van Gods aanwezigheid met zich meebrengt; het is een handeling die niet altijd in exact dezelfde vorm wordt uitgevoerd, een handeling die alleen de theologische analyse kan onderzoeken en uitdrukken in doctrinaire formules die logisch en bevredigend zijn.»

G) Kan worden gezegd dat de NOVUS ORDO MISSAE ongeldig is?

Dit volgt niet noodzakelijkerwijs uit de bovenstaande defecten, hoe ernstig ook, want er zijn voor de geldigheid slechts drie dingen vereist: materie, vorm en intentie.

Hoewel de celebrant de bedoeling moet hebben te doen wat de Kerk doet zal de Novus Ordo Missae niet langer in en vanuit zichzelf garanderen dat de celebrant deze bedoeling heeft. Dat zal van zijn persoonlijk geloof van de priester afhangen (dat echter is over het algemeen bij de bijwoners onbekend. Hoe langer de crisis in de Kerk duurthoe dubieuzer wordt deze intentie).

Daarom kan de geldigheid van deze Missen twijfelachtig zijn, en dat neemt met het verstrijken van de tijd toe.

Met de consecratiewoorden, speciaal met die van de wijn, is geknoeid. Is de “substantie van het sacrament” (cf. Paus Pius XII, aangehaald in Principe 5) gerespecteerd? Dit is zelfs een groter probleem in Missen in de volkstaal, waar pro multis (voor velen) opzettelijk verkeerd wordt vertaald door “voor allen”. Sommige mensen beweren dat dit van een zo groot belang is, dat deze Missen daardoor ongeldig worden. Veel mensen ontkennen dat. Maar deze verandering draagt wel extra tot de twijfel bij.

H) Kerkbezoek

Als de Novus Ordo Missae niet waarlijk katholiek is, dan kan deze niet dienen voor de vervulling van de zondagsplicht. Veel katholieken die hem bijwonen zijn zich niet van bewust van de doordringende mate van ingrijpende nieuwigheden en zijn vrij van schuld. Maar iedere katholiek die zich van het kwaad bewust is, heeft niet het recht er aan deel te nemen Hij zou er alleen door puur lichamelijke aanwezigheid bij kunnen wonen zonder er positief aan deel te nemen, en dan nog om belangrijke familieredenen zoals huwelijken en begrafenissen enz.

Wat moeten katholieken van VATICANUM II denken?

Het Tweede Vaticaans Concilie was een vergadering van alle bisschoppen van de wereld gedurende vier zittingen tussen 11 oktober 1962 en 8 december 1965. In zijn inaugurele rede verklaarde paus Johannes XXIII de doelstellingen als volgt:

  • het katholieke geloof moest bewaard en onderwezen worden,
  • maar onderwezen in de taal van de moderne mens door een magisterium «dat overwegend een pastoraal karakter draagt»,
  • en dit zonder zijn toevlucht te nemen tot veroordelingen,
  • zodoende alle volkeren oproepend. (Dit concilie moest oecumenisch zijn, niet alleen in de zin van een algemeen concilie, maar ook in de zin van het aantrekkelijk zijn voor de religiositeit van alle volkeren, wat hun godsdienst ook moge zijn.)

Paus Paulus VI was het met zijn voorganger eens:

[Vaticanum II] was de belangrijkste [gebeurtenis] omdat… het vòòr alles zocht naar pastorale noden en, de vlam van de liefde voedend, uiterste moeite gedaan heeft niet alleen de christenen te bereiken die nog steeds afgescheiden zijn van de gemeenschap met de Heilige Stoel, maar ook de hele menselijke familie. (Slot-résumé, 8 december 1965)

Met zulke idealen is het geen wonder het katholieke onderricht aan te treffen als:

  • zwak (geen definities of veroordelingen),
  • verwarrend (geen technische, scholastieke terminologie),
  • en eenzijdig (om niet-katholieken aan te trekken).

Al dit vage, ambigue onderricht, in zijn methode reeds liberaal, zou na het concilie in zijn ware liberale zin worden geïnterpreteerd. Bijvoorbeeld:

Conciliaire leer

Interpretatie door Rome (1)

De liturgie van het woord wordt op de voorgrond geplaatst (Sacrosanctum Concilium [2], §9 en het maaltijd-aspect (§10), evenals actieve deelname (§§11, 14) en daarom de volkstaal (§§36, 54) De nieuwe Mis (cf. Vraag 5)
 Katholieken moeten met de protestanten bidden (Unitatis Redintegratio (§§4, 8).  Eucharistische gastvrijheid (cf. Vraag 8) 
 De Kerk van Christus subsisteert (en niet: is) in de katholieke Kerk (Lumen Gentium, §8),   Deze is ook in de "afgescheiden Kerken"(Ut Unum Sint, §11) (3) 
 die afgescheiden broeders heeft in "afgescheiden Kerken" (Unitatis Redintegratio, §3),   Alle gedoopten zijn in de Kerk van Christus (Ut Unum Sint, §42). 
 die als zusters moeten zijn (Unitatis Redintegratio, §14)   Daarom is er geen noodzaak tot bekering van bijv. orthodoxen, (4) 
 Seminaristen moeten rekening houden met de moderne filosofie, wetenschappelijke vooruitgang (Optatam Totius, §15)   Seculaire universitaire studies en het verlaten van het Thomisme, 
 psychologie en sociologie.   open spiritualiteit en subjectieve moraliteit. 
 Huwelijk en huwelijkse liefde gelijkgesteld (Gaudium et Spes, §§48, 50).   Het fiasco van de nietigverklaringen van huwelijken (cf. Vraag 8). 
 De Kerk wijst burgerlijke privileges, die de autoriteiten haar geven, van de hand (§76).   De katholieke godsdienst mag in geen enkele staat meer staatsgodsdienst zijn. 
 Eén wereldautoriteit gewenst (§82).   Volledige steun voor de Verenigde Naties. 
 Ritus en formules van de biecht moeten worden herzien (Sacrosanctum Concilium, §72).   Belijdenissen van aangezicht tot aangezicht en generale absoluties (5) 
 Sacrament der Stervenden moet Ziekenzalving worden (§§73, 75).   Nieuwe materie, nieuwe vorm, nieuw subject (bijv. de zieken, niet slechts zij die in stervensgevaar verkeren). 

 Voetnoten bij deze tabel
 

  1. Hoe de richtlijnen van Rome verder worden geïnterpreteerd, zoals bijvoorbeeld in de parochies, is een heel ander verhaal.
  2. Aan de documenten van Vaticanum II wordt gerefereerd door de beginwoorden daarvan in het Latijn of door de initialen daarvan.
  3. Ut Unum Sint, paus Johannes Paulus II, 25 mei 1995.
  4. Cf. De Verenigde Internationale Commissie voor de Theologische Dialoog tussen de Rooms Katholieke Kerk en de Orthodoxe Kerk, verbood wederzijds “proselitisme”. Balamand, Libanon, 17-24 juni 1993.
  5. Heeft dit zijn uitwerking op de “substantie van de sacramenten” waar de Kerk geen macht over heeft? (Cf. Pius XII, geciteerd in Principe 5).

 

Ernstiger is, dat het concilie werd gekaapt door liberale elementen binnen de Kerk die vanaf het allereerste begin hebben samengespannen om de voorbereidende schemata af te wijzen en te vervangen door progressieve, die door hun eigen “experts” waren voorbereid. De liberalen waren ook in staat om hun eigen mensen in de conciliecommissies te plaatsen. De nieuwe schemata, gepasseerd als de decreten, constituties en verklaringen van het concilie, bevatten, min of meer expliciet, enkele van de zelfde leerstellige dwalingen waarvoor liberalen in het verleden veroordeeld zijn. Laten we bij wijze van voorbeeld de volgende passages nemen:

Vaticanum II leert:

Katholieke leer:

"De mens is het enige schepsel op aarde dat om zichzelf door God is gewild" (Gaudium et Spes, §24)   Jahweh heeft alles gemaakt met een doel. (Spreuken 16, 4) 
En "alle dingen op aarde betrokken dienen te worden op de mens" (§12)   …om hem te helpen zijn ziel te redden 
 Bovendien: "Hij heeft zich immers, als Zoon van God, door zijn menswording in zekere zin met iedere mens verenigd" (§22)   God nam een individuele natuur aan. (Dz. 114) 
 Dus…"…de menselijke natuur… is juist daardoor ook in ons tot hoge waardigheid verheven". (§22)   "Toch hebt Gij hem haast tot een godheid gemaakt, hem met glorie en luister gekroond." (Psalm 8, 6) 
En vanwege "de uitnemende waardigheid die aan de menselijke persoon toekomt" (§26)  "Toch hebt ge… er enkelen, die hun klederen niet hebben besmet; met Mij zullen zij wandelen in het wit gekleed, omdat ze daartoe waardig zijn." (Apoc. 3, 4) 
 "Zijn rechten en plichten zijn universeel en onschendbaar." (§26)   Hij die zijn talent begraaft, hem zal het afgenomen worden. 
"Deze Vaticaanse kerkvergadering verklaart, dat de menselijke persoon recht heeft op godsdienstvrijheid." (Dignitatis Humanae, §2)  Veroordeelde verklaring: "Vrijheid van geweten en van godsdienst is een recht van ieder mens.." (paus Pius IX in Quanta Cura, §4b) 
"…dat alle mensen vrij moeten zijn van dwang, of die nu door enkelingen, door sociale groepen of door enige menselijke macht wordt uitgeoefend, en wel zo, dat in godsdienstige aangelegenheden niemand wordt gedwongen te handelen tegen zijn geweten in, noch wordt belemmerd om, binnen passende grenzen, privé of publiek, alleen of samen met anderen, volgens zijn geweten te handelen." (§2)  "En in strijd met de leer van de H. Schrift, de Kerk en de heilige vaders aarzelen zij zelfs niet te beweren, "dat dán de maatschappij het best is ingericht, wanneer aan de staatsmacht niet de plicht wordt toegewezen, om door wettelijk vastgestelde straffen hen te beteugelen, die de katholieke godsdienst aanranden, behalve wanneer de openbare rust dit vereist." (paus Pius IX in Quanta Cura, §4a) 
"Dit recht van de menselijke persoon op godsdienstvrijheid moet in de juridische ordening van de maatschappij zo worden erkend, dat het burgerrecht gaat worden." (§2)  Veroordeelde verklaring: "De vrijheid van geweten en godsdienst is een recht, aan iedereen eigen, hetwelk bij de wet moet afgekondigd en vastgelegd worden in elke goed ingerichte maatschappij." (paus Pius IX in Quanta Cura, §5) 
"De Geest van Christus weigert immers niet ze (= de afgescheiden Kerken) te gebruiken als heilsmiddelen." (Unitatis Redintegratio, §3)   Principe 2 
"… moet de oecumenische beweging zo worden bevorderd, dat de katholieken (…) met de van hen gescheiden broeders broederlijk samenwerken door een gemeenschappelijke belijdenis van het geloof in God en in Jezus Christus ten overstaan van de volkeren." (Ad Gentes Divinitus, §15)   Principe 7 
Waarom, zelfs met betrekking tot de niet-christelijke godsdiensten: "De katholieke Kerk verwerpt niets van datgene wat in deze godsdiensten goed en heilig is. Met oprechte eerbied beschouwt zij die gedrags- en leefregels…" (Nostra Aetate, §2)   "Ja, alle goden der volkeren zijn niets" (Psalm 96[95])."… moogt ge u niet de afschuwelijke praktijken van die volken eigen maken." (Deut. 18, 9) 
 "De bisschopswijding nu geeft, samen met de heiligingsmacht, ook het leergezag en de bestuursmacht…" (Lumen Gentium, §21)  "Deze (bisschoppelijke) waardigheid is feitelijk onmiddellijk afhankelijk van God als wetgevende macht en van de Apostolische Stoel als macht van jurisdictie…" (Deesemus Nos, paus Pius VI) 

En het zijn neo-modernistische tendenzen waar het allemaal om draait bij het concilie («… paus Johannes Paulus II maakt niet de H. Schrift, maar veeleer Assisië tot het Sjibboleth voor het gangbare begrip van het concilie.» Aldus J. Dörmann in Pope John Paul II’s Theological Journey to the Prayer Meeting of Religions in Assisi, deel I, blz. 46 [Appendix II])

Maar was het concilie niet onfeilbaar?
 

  • Niet vanwege het buitengewoon magisterium, want het weigerde ook maar iets te definiëren. Paus Paulus VI zelf zei tijdens een audiëntie op 12 januari 1966, dat het (concilie) «had vermeden op een buitengewone manier dogmata, die beïnvloed waren door het stempel van onfeilbaarheid, af te kondigen.» (Cf. de verklaring van 6 maart 1964 van de Theologische Commissie, en herhaald door de algemeen secretaris van het concilie op 16 november 1964: «Met het oog op de conciliaire praktijk en het pastorale doel van het huidige concilie, definieert deze heilige synode zaken betreffende geloof of zeden alleen dan als bindend voor de Kerk als de synode zelf dit nadrukkelijk verklaart.» Dit is niet éénmaal gebeurd.
  • Evenmin vanwege het gewone universele magisterium, want dat is geen bepalende macht, maar een die doorgeeft wat altijd geloofd werd. De “universaliteit” in kwestie is er niet alleen maar een van plaats (alle bisschoppen), maar ook een van tijd (altijd). (cf. Vaticanum I en Principle 6).
  • Zelfs niet vanwege het eenvoudig authentieke magisterium, want het object voor het gehele magisterium is het depositum fidei dat heilig bewaard moet worden en gelovig uiteengezet (Vaticanum I, Dz. 1836). Als katholieke doctrine mogen “de best uitgedrukte waarden van twee eeuwen ‘liberale cultuur’” niet worden aangenomen, zelfs niet als zij “gereinigd” zijn. (Kardinaal Ratzinger, Gesu, november 1984, blz. 72. Cf. Gaudium et Spes §§11, 44).

Moeten wij de CODEX IURIS CANONICI van 1983 niet accepteren?

Een codex is een verzameling wetten, elke afzonderlijk een verordening van de bevoegde autoriteit; elke canon in het wetboek van 1917 was een wet van Benedictus XV, en elke canon in het wetboek van 1983 (gewoonlijk de “nieuwe codex” genoemd) is een wet van paus Johannes Paulus II.

Voor paus Johannes Paulus II is het doel van het wetboek van 1983 de uitdrukking van de nieuwe ecclesiologie van het Tweede Vaticaans Concilie (bijv. het nieuwe begrip dat de Kerk heeft over haar aard en haar opdracht) in canonieke taal, en het moet altijd worden begrepen in het licht van de conciliaire leerstukken (Sacra Disciplinae Leges, 25 januari 1983).

Maar juist dit concilie heeft de katholieke leer vervalst.

Daarom moeten wij de nieuwe wetgeving er van verdenken dezelfde fouten te hebben gecodificeerd en bereid zijn niet alle “wetten” te accepteren (Principe 9), maar alleen die welke de katholieke leer over geloof en zeden bewijsbaar niet compromitteren. Voor het grootste deel mogen we het verlies van duidelijkheid, nauwkeurigheid en integriteit van het wetboek van 1917 betreuren, al is dat onvoldoende reden om deze canons af te wijzen.

Er zijn enkele nieuwigheden die afgewezen moeten worden
 

  • Canon 844, §4 staat toediening toe van het sacrament van boete, ziekenzalving en zelfs de H. Communie aan niet-katholieken die blijk geven “katholiek te geloven” in dezelfde sacramenten.Dit werd altijd als een doodzonde beschouwd en was streng verboden (CIC 1917, canon 731, §21), omdat het impliciet het dogma ontkent dat er “buiten de Kerk geen heil” is (Principe 2).Dit is een ontoelaatbare overgave aan het modernistisch oecumenisme.
  • Canon 1055, §1 definieert het huwelijk niet langer met zijn eerste doel, de procreatie van kinderen, maar noemt slechts na een secundair doel, het welzijn van de echtgenoten. En dit laatste, zoals we in het licht van de nu verstrekte nietigverklaringen, is de essentie van het huwelijk geworden (Principes 5 en 6): de partners schenken zich wederzijds aan elkaar (en niet alleen maar “het exclusieve en voortdurende recht op het lichaam van de partner m.b.t. de daden die in zichzelf nageslacht kunnen verwekken”, 1917 CIC, canon 1081, §2) en aanvaarden elkaar om een huwelijk tot stand te brengen (canon 1057, § 2). Het wordt geacht geen huwelijk te zijn waar een partner de ander niet kan voorzien van deze hulp (canon 1095, 20 en 30, canon 1098 enz., cf. canon 1063, 40). Waar vandaan het huidige nietigverklaringsfiasco: in de Verenigde Staten bijvoorbeeld werden in 1968 officieel 338 nietigverklaringen uitgesproken; in 1992 waren dat er 59.030. Derhalve bestaat er zeer ernstige twijfel in verband met de nietigverklaringen die afgegeven zijn door Novus Ordo tribunalen.
  • Canon 336 codificeert de collegialiteit van Vaticanum II. De “bisschoppenconferentie”, een 20ste eeuwse uitvinding, is nu, samen met de paus, tot permanent subject geworden van opperste en volledige macht over de universele Kerk. Bovendien participeert een bisschop in deze universele jurisdictie door het enkele feit van zijn wijding (cf. canon 375, §2). Dit wordt nog verontrustender als men denkt aan de erkenning door het Vaticaan van de orthodoxe bisschoppen. Cf. paus Paulus VI: «Het is op de hoofden van de Kerken, van hun hiërarchie, dat de verplichting rust de Kerken langs de weg te gidsen die weer tot volledige communio leidt. Zij behoren dit te doen door elkaar te erkennen en te respecteren als herders van de kudde van Christus, aan hun toevertrouwd…» (geciteerd te Balamand door de Verenigde Internationale Commissie voor de Theologische Dialoog tussen de Rooms Katholieke Kerk en de Orthodoxe Kerk, slotverklaring § 18 cf., §14; Ut Unum Sint §§ 50-63). Deze collegialiteit knoeit met de goddelijke constitutie van de Kerk, tast de pauselijke macht aan, belemmert hem de Kerk te besturen (en belemmert de bisschoppen hun diocesen te besturen). “Bisschoppenconferenties” nemen vandaag de autoriteit over, en worden aldus onpersoonlijk en onweerlegbaar.

Dit zijn slechts de meest ernstige deficiënties; andere defecte punten zijn onder meer de volgende:

  • gemengde huwelijken
  • reductie van censuur (bijv. i.v.m. de excommunicatie van vrijmetselaars enz.)
  • de studie van St. Thomas van Aquino is niet langer verplicht op seminaries (canons 251 e.v.) en
  • generale absoluties zijn gemakkelijker verkrijgbaar (canons 961-963 enz.)

Tussen haakjes, het is interessant op te merken dat voor paus Johannes Paulus II het kerkelijk wetboek van 1983 minder gewicht in de schaal legt dan een conciliaire constitutie. 

Was monseigneur Lefebvre niet geëxcommuniceerd wegens het onwettig wijden van bisschoppen?


29 juni 1987

Aartsbisschop Lefebvre, die zijn krachten voelt afnemen en geen andere manier ziet om voortzetting van wijdingen zeker te stellen van waarachtig katholieke priesters, besluit bisschoppen te consacreren. Hij kondigt aan dat hij dat, indien nodig, zal doen, zelfs zonder toestemming van de paus.

17 juni 1988

Kardinaal Gantin, prefect van de Congregatie voor de Bisschoppen, waarschuwde mgr. Lefebvre officieel dat, voortvloeiend uit canon 1382 (CIC, 1983) hijzelf en de door hem gewijde bisschoppen zouden zijn geëxcommuniceerd wegens handelingen zonder pontificaal mandaat, daarbij de wetten van de heilige discipline schendend.

30 juni 1988

Aartsbisschop Lefebvre wijdt, samen met bisschop De Castro Mayer, vier bisschoppen.

1 juli 1988

Kardinaal Gantin verklaarde dat de excommunicatie volgens canon 1382, opgelopen was. Hij noemde de wijdingen ook een schismatieke daad en verklaarde de overeenkomstige excommunicatie (canon 1364, § 1). Ook bedreigde hij eenieder die de wijdingen ondersteunde met excommunicatie wegens “schisma”.

2 juli 1988

In Ecclesia Dei Afflicta herhaalde de paus kardinaal Gantin’s beschuldiging van schismatieke mentaliteit en dreigde met algemene excommunicaties (zie Vraag 12).

De excommunicatie waar op 17 juni voor werd gewaarschuwd, wegens misbruik van bisschoppelijke macht (canon 1382) was niet opgelopen, want:

  1. Een persoon die de wet schendt uit nood* is niet aan bestraffing onderworpen (canon 1323, § 4),
     
  • indien iemand onschuldig dacht dat die er was, dan wordt hij niet bestraft (canon 1323, 70)
  • en als iemand schuldig dacht dat die er was, zou hij nog steeds niet automatisch bestraft worden. (Excommunicatie voor onwettige wijdingen, canon 1382, of schisma, canon 1364, zijn van deze soort)
     
  1. Er wordt nooit straf opgelopen zonder dat men een subjectieve doodzonde heeft begaan (canons 1321, § 1, 1323, 70). Aartsbisschop Lefebvre heeft ampel duidelijk gemaakt dat hij in geweten gebonden was te doen wat hij kon doen om het katholieke priesterschap voort te zetten en dat hij gehoorzaamde aan God als hij doorging met de wijdingen (Cf. preek van 30 juni 1988, en Archbishop Lefebvre and the Vatican, blz. 136 [Appendix II]). Zelfs indien hij fout zou zijn geweest, zou er nog steeds geen subjectieve zonde zijn.
     
  2. Hoogst belangrijk is dat positieve wetgeving ten dienste staat van de natuurlijke en eeuwige wet en de kerkelijke wet staat ten dienste van de goddelijke wet (Principe 8). Geen enkele “autoriteit” kan een bisschop tot een compromis dwingen in zijn onderricht van het katholieke geloof of bij de toediening van de katholieke sacramenten. Geen enkele “wet” kan hem dwingen samen te werken bij de vernietiging van de Kerk. Met Rome, dat geen garantie geeft de katholieke traditie te bewaren, moest aartsbisschop Lefebvre doen wat hij kon met zijn door God gegeven bisschoppelijke macht om de bewaring van de traditie te garanderen. Het was zijn plicht als bisschop.
     
  3. De goedkeuring door de Kerk van de Priesterbroederschap St. Pius X (vraag 2) staat haar alles toe wat zij nodig heeft voor haar eigen bestaan. Dit is inclusief de dienst van bisschoppen die de katholieke traditie garanderen te handhaven.

Is de Priesterbroederschap St. Pius X niet schismatiek?

Was aartsbisschop Lefebvre (samen met zijn medeconsecrator van de vier bisschoppen die hij wijdde) geëxcommuniceerd, dus voor het stellen van een “schismatieke daad” zowel als voor het wijden van bisschoppen zonder pauselijk mandaat? (Vraag 11)?

Neen. Een eerste argument is al gegeven, zie vraag 11.

Wat maakt dat een daad schismatiek is?

Niet de naakte daad van het wijden van bisschoppen zonder pauselijk mandaat. Het CIC van 1983 (Kerkelijk wetboek van 1983) zelf brengt het onder in boek VI, deel 2, titel 3 (wederrechtelijke toeëigening van kerkelijke taken) en niet onder titel 1 (misdrijven tegen de godsdienst en tegen de eenheid van de Kerk).

Het zou zelfs geen “schismatieke daad” zijn te wijden tegen de expliciete wil van de H. Vader in. Dat zou hoogstens ondergebracht kunnen worden bij ongehoorzaamheid.

Maar ongehoorzaamheid betekent geen schisma. Schisma vereist dat iemand de bevelsautoriteit van de paus niet erkent.

Ongehoorzaamheid bestaat in het niet opvolgen van iemands bevel, terwijl men nog steeds de autoriteit erkent van degene die het bevel geeft.

“Het kind dat tegen zijn moeder zegt: Ik doe het niet! Ontkent geenszins dat zij zijn moeder is”. (Fr. Glover [Appendix II]).

«The act of consecrating a bishop (without the pope’s permission) is not itself a schismatic act» (kardinaal Lara, prefect van de Pauselijke Commissie voor de Authentieke Interpretatie van de Kerkelijke Wet, in La Repubblica, van 7 oktober 1988.)

Welnu, mgr. Lefebvre heeft de autoriteit van de paus altijd erkend, hetgeen wordt bewezen door zijn consultaties met Rome voor een oplossing van de problemen. En hetzelfde doet de Priesterbroederschap St. Pius X. Zie bijvoorbeeld de ondersteuning aan paus Johannes Paulus II gegeven voor Ordinatio Sacerdotalis, tegen vrouwelijke priesters.

Het wijden van een bisschop zonder pauselijk mandaat zou een schismatieke daad zijn indien iemand voorgaf niet alleen de volheid van het priesterschap over te dragen, maar ook jurisdictie, een regeringsmacht over een bepaalde kudde. Alleen de paus, die universele jurisdictie heeft over de gehele Kerk, kan een herder een kudde aanwijzen en hem de macht verlenen daarover te regeren. Maar mgr. Lefebvre heeft nooit gedacht iets anders over te dragen dan de volle priesterlijke macht uit de wijding, en in geen enkel opzicht heeft hij enige jurisdictie aan wie dan ook verleend (die hij dan ook niet persoonlijk geven kon).

Wat de gelovigen betreft dreigde paus Johannes Paulus II zelf met excommunicatie als zij het schisma formeel zouden aanhangen (Ecclesia Dei Afflicta, 2 juli 1988).

Maar hebben zij inderdaad de excommunicatie opgelopen door naar de Priesterbroederschap St. Pius X te gaan voor de sacramenten?

Niet in het minst! De priesters van de Priesterbroederschap St. Pius X zijn noch geëxcommuniceerd noch schismatiek (Appendix II).

Als dit zo is, hoe kan een gelovige die hen benadert dan deze straffen oplopen? En dan nog: «Excommunicatie is geen besmettelijke ziekte, maar een straf voor hen die bepaalde misdaden plegen waaraan zij volledig moreel schuldig zijn.» (Fr. Glover, ibid., blz. 100)

Excommunicatie door bisschop Ferrario?

Op 1 mei 1991 “excommuniceerde” bisschop Ferrario van Hawaii een aantal katholieken uit zijn diocees omdat zij de H. Mis hadden bijgewoond bij priesters van de Priesterbroederschap St. Pius X en wegens het ontvangen van een bisschop van dezelfde congregatie om het sacrament van het Vormsel toe te dienen. Kardinaal Ratzinger, prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, deed dit besluit te niet:

«Uit het onderzoek van de zaak… resulteerde niet dat de feiten waaraan in bovengenoemd decreet wordt gerefereerd, formeel schismatieke daden zijn in strikte zin, zij vormen samen niet de misdaad van een schisma; en daarom zegt de Congregatie dat het decreet van 1 mei 1991 geen basis heeft en daarom ongeldig is.» (28 juni 1993)

 Hebben traditionele priesters jurisdictie?

rachtens zijn wijding kan een priester alle dingen zegenen en zelfs brood en wijn consecreren op een manier dat zij het werkelijke lichaam en bloed van onze Heer Jezus Christus worden. Maar als hij ooit in zijn bediening vanuit zijn autoriteit met mensen te maken krijgt, dan heeft hij boven de macht van zijn wijding, die van jurisdictie nodig, die hem in staat stelt zijn kudde te oordelen en te besturen. Jurisdictie is bovendien nodig voor de geldigheid op zichzelf van de sacramenten biecht en huwelijk.

De sacramenten zijn geschonken door onze Heer als de gewone en voornaamste middelen tot heil en heiliging. Daarom wil de Kerk, wier hoogste wet de redding van de zielen is (CIC 1983, canon 1752), beschikbaarheid van deze sacramenten, in het bijzonder van de biecht (canon 968). De Kerk wil priesters (canon 1026) en autoriseert hen royaal biecht te horen (canon 967, § 2). Deze jurisdictie om biecht te horen mag alleen om zeer ernstige redenen worden ingetrokken (canon 974, § 1).

Jurisdictie wordt gewoonlijk gegeven door mandaat van de paus of de diocesane bisschop, of misschien gedelegeerd door de pastoor van een parochie. De priesters van de Priesterbroederschap St. Pius X hebben geen jurisdictie in deze zin. In buitengewone gevallen echter voorziet de Kerk in jurisdictie zonder de weg langs de gevestigde autoriteiten te gebruiken. Dit is voorzien in de kerkelijke wet van 1983:
 

  • Als de gelovigen denken dat de priester jurisdictie heeft en hij heeft het niet (canon 144, gemeenschappelijke dwaling).
  • Bij positieve en waarschijnlijke twijfel dat de priester jurisdictie heeft (canon 144).
  • Als een priester doorgaat met het biecht horen na het verstrijken van de tijd van verlening (canon 142, § 2).
  • Als de boeteling in stervensgevaar verkeert (zelfs als de priester tot de lekenstand is teruggebracht of een apostaat, zelfs al is er een bevoegd priester aanwezig) (canons 976, 1335).

Daarom voorziet de Kerk, die uiterste beschikbaarheid wil van de biecht, op buitengewone wijze in jurisdictie, met het oog op de noden van haar kinderen, en naar gelang hun noden groter zijn wordt het des te vrijer toegestaan.

De aard van de huidige crisis in de Kerk is zodanig, dat de gelovigen op goede gronden een morele onmogelijkheid voelen priesters te benaderen die de gewone jurisdictie hebben.

En dus, wanneer ook maar de gelovigen de genade van de biecht nodig hebben en die willen ontvangen van priesters wier oordeel en adviezen zij kunnen vertrouwen, dan kunnen zij dat doen, ook al hebben de priesters niet de gewone jurisdictie.

Zelfs een gesuspendeerde priester kan dit doen voor gelovigen die daarom vragen: om elke goede reden (canon 1335). Dit is nog veel meer het geval als een gelovige katholiek kan voorzien dat hij tot zijn dood van het ware sacrament van de biecht wordt beroofd door priesters met gewone jurisdictie. Alleen God weet wanneer de crisis zal eindigen.

De buitengewone vorm voor huwelijken is voorzien in canon 1116, § 1. Als het paar zijn parochiepriester niet zonder ernstig bezwaar – en men mag zijn pertinent vasthouden aan de Novus Ordo Missae voor de huwelijksmis, of hun ongerustheid betreffende zijn morele lessen bij de huwelijksinstructies als zodanig beschouwen – en als zij omstandigheden voorzien die tenminste een maand zullen duren, dan mogen zij huwen ten overstaan van de getuigen alleen, en een andere priester (bijvoorbeeld van de Priesterbroederschap St. Pius X) indien mogelijk (canon 1116, § 2).

Zelfs als bovenstaande argumenten slechts als een waarschijnlijkheid gezien zouden mogen worden, dan zou in jurisdictie nog steeds met zekerheid worden voorzien door de Kerk (canon 144).
En dus moeten wij de vraag positief beantwoorden.

Traditionele priesters hebben zeker en beslist een jurisdictie die noch territoriaal noch gewoon is, maar waarin is voorzien met het oog op de noden van de gelovigen.

Wat te denken van de nieuwe CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK?

Deze vraag illustreert de fundamentele verschillen tussen de Priesterbroederschap St. Pius X en de conciliaire “traditionalisten” of conservatieven.

Deze laatsten worden vaak gezien terwijl zij de traditionele Latijnse H. Mis zowel als de “nieuwe” catechismus verdedigen, maar niet openlijk de Novus Ordo Missae of Vaticanum II aanvallen. Aan de andere kant verdedigt de Priesterbroederschap St. Pius X de traditionele catechismus en daarom de traditionele Latijnse H. Mis, en dus valt zij de Novus Ordo Missae, Vaticanum II en de “nieuwe” catechismus aan, die allemaal min of meer ons onveranderbaar katholieke geloof ondermijnen.

De conservatieven verdedigen de Katechismus van de Katholieke Kerk om zijn herbevestiging van leerstukken die doodgezwegen of ontkend worden door geheel modernistische catechismussen.

Niettemin verwerpt de Priesterbroederschap St. Pius X hem, omdat hij een poging is de leerstukken van Vaticanum II te formaliseren en te propageren. Paus Johannes Paulus II stemde met de catechismus in:

«De catechismus was ook onmisbaar (zoals ook het nieuwe wetboek van 1983) opdat de hele rijkdom van de leerstukken van de Kerk volgend op het Tweede Vaticaans Concilie bewaard kon worden in een nieuwe synthese en opdat daaraan een nieuwe richting gegeven kon worden» (Paus Johannes Paulus II in Over de drempel van de hoop, Engelse uitgave, blz 164, Crossing the Treshold of Hope, London, Jonathen Cape, 1994).

Men behoeft slechts te letten op de 806 citaten van Vaticanum II, een aantal dat neerkomt op gemiddeld één citaat op iedere drieëneenhalve paragraaf door alle 2865 paragrafen van de catechismus heen.

De nieuwigheden van Vaticanum II komen in het bijzonder naar voren in de volgende paragrafen:

  • een dweperij met de waardigheid van de mens (§§ 225, 369, 1700, 1929 …,
  • zodat wij mogen hopen op het heil van alle gedoopten: §§ 1782 e.v.,
  • zelfs op het heil van niet katholieken ( § 818),
  • of op dat van hen die zelfmoord bedrijven: § 2283,
  • en het heil van alle niet gedoopten, of het nu volwassenen (§ 847)
  • of kinderen betreft (§ 1261);
  • dat de basis is van alle rechten (§§1738, 1930, 1935), daarbij inbegrepen het recht op vrijheid van godsdienst (§§ 2106 e.v.),
  • en het motief van alle moraliteit (§§ 1706, 1881, 2354, 2402, 2407 enz.),
  • een engagement met het oecumenisme (§§ 820 e.v., 1399, 1401), omdat alle godsdiensten instrumenten tot heil zijn (§§ 819, 838-843, 2104),
  • collegialiteit (§§ 879-885),
  • overmatige nadruk op het priesterschap van de gelovigen (§873, 1547, 1140 e.v., enz.).

Welnu, precies zoals hij die ook maar één dogma ontkent, het geloof verliest (Principe 7), zo bewijst een leraar die slechts op één punt dwaalt dat hij feilbaar is, en, maakt daarmee alles wat hij leert twijfelachtig.

Het Tweede Vaticaans Concilie is geen autoriteit om te citeren, omdat het zelfs het voorgelegde katholieke leerstof niet onfeilbaar en helder en duidelijk uitlegd. Dezelfde beoordeling treft de Catechismus van de Katholieke Kerk. Om reden van de moderne afwijkingen waarvan hij is doortrokken, kan hij geen autoriteit voor katholiek geloof zijn

Wat moeten wij van de SEDEVACANTISTEN denken?

In het aangezicht van het schandaal van een paus die Dignitatis Humanae kan ondertekenen, de liturgie van de H. Mis radicaal kan veranderen, de nieuwe ecclesiologie kan codificeren, voorvechter is van een afwijkend oecumenisme enz., hebben sommigen de conclusie getrokken, dat de laatste pausen geen ware pausen kunnen zijn geweest, of anders dat zij wegens dergelijke schandalen hun pontificaat hebben verloren.

Verlies van het pontificaat

Zij refereren aan de discussies van de grote theologen uit contra-reformatie over verlies van het pontificaat (wegens abdicatie, waanzinnigheid, ketterij, enz.) en argumenteren aldus:

  • Hij die geen lid van de Kerk is kan haar hoofd niet zijn.
  • En een ketter is geen lid van de Kerk;
  • Welnu, paus Johannes XXIII, paus Paulus VI, paus Johannes Paulus I en paus Johannes Paulus II zijn ketters,
  • Daarom zijn zij geen leden noch het hoofd van de Kerk,
  • En dus moeten al hun handelingen compleet worden genegeerd.

Maar dan nog blijft het argument dat dezelfde schandalen waar zijn van alle diocesane bisschoppen van de hele wereld, die dan consequenterwijze ook niet-leden zonder autoriteit zijn; en de katholieke Kerk uitsluitend geïdentificeerd moet worden met hen die het geloof niet hebben gecompromitteerd en communio weigeren met deze “pausen” of “bisschoppen”. Een minderheid van hen zal haar eigen “paus” kiezen (bijv. de gemeenschappen in Palmar de Troya, Spanje, of Saint Jovite, Canada).

Formeel ketter

De kracht van het argument ligt in het echte schandaal van de impuls die de conciliaire autoriteiten hebben gegeven aan de “nieuwe richting” van de Kerk; de zwakheid van het argument is dat het niet in staat is te bewijzen dat ook maar een enkele autoriteit formeel ketters is.

  • Men is “materieel” ketter zonder het te weten indien men objectief tegenspreekt wat God heeft gezegd, maar zonder daar zelf schuldig aan te zijn;
  • Men is “formeel” ketter als men volhardend tegenspreekt wat God heeft gezegd, bijvoorbeeld in de wetenschap dat men ontkent wat God heeft gezegd en dit toch in ieder geval wil doen.

Welnu, de gewone weg voor de Kerk om zich te vergewissen van hardnekkigheid en de consequenties van iemands ketterij kracht bij te zetten door ofwel excommunicatie en/of ambtsverlies, is door een autoritatief monitum (=herderlijke waarschuwing) aan de delinquent, dat hij versmaadt. (CIC 1983, canon 2314, § 1).

Maar niemand kan de paus autoritatief berispen (canon 1556) en de bisschoppen kunnen slechts officieel worden berispt door hun superieur, de paus (canon 1557), die dit niet heeft gedaan.

  • Om canonieke macht te bezitten moet een monitum komen van iemands superieur (cf. canon 2233).
  • Belangrijk is dat niet alleen de misdaad, maar ook de verwijtbaarheid algemeen bekend moet zijn (canon 2195; 2197).

Daarom kan halsstarrigheid, en dus formele ketterij, niet worden bewezen.

Maar zou halsstarrigheid niet kunnen worden aangenomen naar aanleiding van de hardnekkigheid van deze pausen ten aanzien van de nieuwe manieren, en dit in het aangezicht van de gehele traditie en zijn hedendaagse getuigen? Misschien, maar niet sociaal, bijvoorbeeld met het oog op ambtsverlies enz.. Die halsstarrigheid mag niet worden aangenomen, maar moet bewezen worden, anders zouden gemeenschappen in elkaar storten.

Het argument bewijst zijn gelijk niet, en wordt minder aannemelijk als men er rekening mee houdt dat er andere verklaringen zijn voor een “materieel heretische” paus, en het wordt heel onaannemelijk als men rekening houdt met zijn gevaren of consequenties.

Ontoereikend katholiek

De liberale geestelijke instelling van een Paulus VI of Johannes Paulus II kan een verklaring zijn van hun ontoereikendheid katholiek te zijn en hun simultane verraad in de katholieke praktijk. Zij accepteren tegenstellingen; dat is te verwachten met een subjectieve en evolutieve mentaliteit. Maar een dergelijke gemoedsgesteldheid kan alleen langs de weg van de autoriteit overtuigd worden van ketterij.
 

  • Een klein voorbeeld: «Op het Tweede Vaticaans Concilie wijdde de katholieke Kerk zichzelf onherroepelijk toe aan het volgen van het pad van het oecumenische waagstuk, en aldus acht te slaan op de geest van de Heer, die het volk onderrichtte de ‘tekenen van de tijd’ zorgvuldig te interpreteren» (Ut Unum Sint, § 3). Als het om “de tekenen van de tijd” is, dat de conciliaire Kerk zichzelf het oecumenisme in heeft gelanceerd, hoe moeten wij dan weten dat het waagstuk onherroepelijk is? Wat bedoelt paus Johannes Paulus II met zulke absolute termen?

De Kerk is ook in haar monarchiale constitutie onfeilbaar

De Kerk is onfeilbaar (Principe 3), niet slechts in haar geloof en middelen tot heil, maar ook in haar monarchiale constitutie (Principe 4), inbegrepen regeringsmacht, bijv. jurisdictie, vandaar de verklaring van het Eerste Vaticaans Concilie dat Petrus onafgebroken (eeuwigdurend) opvolgers zal hebben.

Welnu, we kunnen een onderbreking in de lijn van opvolgers van de paus begrijpen tussen de dood van de ene en de verkiezing van de andere paus, en ook dat die tijd wel eens langer kan duren.

Maar is de onfeilbaarheid bewaard als er geen paus is sinds 1962 of als er geen is met de gewone jurisdictie die de sedevacantisten als zodanig kunnen aanwijzen?

De Kerk is zichtbaar

(Principe 3) en niet alleen maar een gemeenschap, samengesteld uit degenen die verenigd zijn door innerlijke banden (staat van genade, hetzelfde geloof enz.). Een gemeenschap wordt erkend en als zodanig gehandhaafd door haar autoriteit (haar wezenlijke oorzaak).

Gevaren van deze theorie

Indien de Kerk geen paus had gehad sinds de dagen van Vaticanum II, dan zijn er geen wettig gecreëerde kardinalen meer. Maar hoe moet de Kerk dan weer een paus krijgen, want de geldige discipline staat slechts aan kardinalen de macht toe een paus te kiezen?

De Kerk zou kunnen hebben verordend dat niet-kardinalen, “kiezers van de paus”, in staat zouden zijn dit te doen, maar we kunnen de geldige discipline niet links laten liggen, en die zegt dat kardinalen de paus moeten kiezen.

Enkele sedevacantisten houden staande dat hij reeds is of zal worden aangewezen, direct, door privé-openbaring van de hemel.

Geestelijke consequenties van het sedevacantisme.
 

  • Het sedevacantisme is een theologische opinie en geen zekerheid. Het als een zekerheid te behandelen leidt zelf tot de vermetele veroordeling van traditionele katholieken die het er niet mee eens zijn;
  • En steevast leidt het tot erkenning van niet-geestelijke superieuren op aarde. Iedereen wordt in de praktijk zijn eigen kleine “paus”, regeerder van het geloof en de orthodoxie, de rechter over de geldigheid van de sacramenten.

Zie de argumenten van “bisschop” Vezelis, de Schuckardtbeweging enz.: Er wordt gezegd dat kardinaal Liénart, die aartsbisschop Lefebvre priester heeft gewijd en hem bisschop wijdde, vrijmetselaar was, en dat dus al zijn wijdingen ongeldig waren; en daarom moeten wij alle sacramenten van hen die hij heeft gewijd, en van degenen die zij later zelf hebben gewijd, als ongeldig beschouwen…

Dat Liénart vrijmetselaar zou zijn geweest is feitelijk slechts de onbewezen beschuldiging van één enkele schrijver; en het leergezag van de Kerk is, dat wij zijn sacramenten in ieder geval als geldig moeten aanvaarden, als hij de correcte uiterlijke ritus heeft gebruikt (behalve als hij een tegengestelde innerlijke intentie heeft laten blijken, wat hij niet gedaan heeft). Bovendien werd aartsbisschop Lefebvre door drie bisschoppen geconsacreerd in 1947. Alleen al daarom is het sacrament boven alle twijfel verheven geldig. (Cf. On Rumours and Their Source voor meer informatie over dit onderwerp.)

Omdat dit zo is mogen wij ons niet associëren met, of, de sacramenten ontvangen van hen. Heel in het bijzonder als zij het sedevacantisme als zekerheid opwerpen die iedereen moet aanvaarden.