Jurisdictie?

 Hebben traditionele priesters jurisdictie?

rachtens zijn wijding kan een priester alle dingen zegenen en zelfs brood en wijn consecreren op een manier dat zij het werkelijke lichaam en bloed van onze Heer Jezus Christus worden. Maar als hij ooit in zijn bediening vanuit zijn autoriteit met mensen te maken krijgt, dan heeft hij boven de macht van zijn wijding, die van jurisdictie nodig, die hem in staat stelt zijn kudde te oordelen en te besturen. Jurisdictie is bovendien nodig voor de geldigheid op zichzelf van de sacramenten biecht en huwelijk.

De sacramenten zijn geschonken door onze Heer als de gewone en voornaamste middelen tot heil en heiliging. Daarom wil de Kerk, wier hoogste wet de redding van de zielen is (CIC 1983, canon 1752), beschikbaarheid van deze sacramenten, in het bijzonder van de biecht (canon 968). De Kerk wil priesters (canon 1026) en autoriseert hen royaal biecht te horen (canon 967, § 2). Deze jurisdictie om biecht te horen mag alleen om zeer ernstige redenen worden ingetrokken (canon 974, § 1).

Jurisdictie wordt gewoonlijk gegeven door mandaat van de paus of de diocesane bisschop, of misschien gedelegeerd door de pastoor van een parochie. De priesters van de Priesterbroederschap St. Pius X hebben geen jurisdictie in deze zin. In buitengewone gevallen echter voorziet de Kerk in jurisdictie zonder de weg langs de gevestigde autoriteiten te gebruiken. Dit is voorzien in de kerkelijke wet van 1983:
 

  • Als de gelovigen denken dat de priester jurisdictie heeft en hij heeft het niet (canon 144, gemeenschappelijke dwaling).
  • Bij positieve en waarschijnlijke twijfel dat de priester jurisdictie heeft (canon 144).
  • Als een priester doorgaat met het biecht horen na het verstrijken van de tijd van verlening (canon 142, § 2).
  • Als de boeteling in stervensgevaar verkeert (zelfs als de priester tot de lekenstand is teruggebracht of een apostaat, zelfs al is er een bevoegd priester aanwezig) (canons 976, 1335).

Daarom voorziet de Kerk, die uiterste beschikbaarheid wil van de biecht, op buitengewone wijze in jurisdictie, met het oog op de noden van haar kinderen, en naar gelang hun noden groter zijn wordt het des te vrijer toegestaan.

De aard van de huidige crisis in de Kerk is zodanig, dat de gelovigen op goede gronden een morele onmogelijkheid voelen priesters te benaderen die de gewone jurisdictie hebben.

En dus, wanneer ook maar de gelovigen de genade van de biecht nodig hebben en die willen ontvangen van priesters wier oordeel en adviezen zij kunnen vertrouwen, dan kunnen zij dat doen, ook al hebben de priesters niet de gewone jurisdictie.

Zelfs een gesuspendeerde priester kan dit doen voor gelovigen die daarom vragen: om elke goede reden (canon 1335). Dit is nog veel meer het geval als een gelovige katholiek kan voorzien dat hij tot zijn dood van het ware sacrament van de biecht wordt beroofd door priesters met gewone jurisdictie. Alleen God weet wanneer de crisis zal eindigen.

De buitengewone vorm voor huwelijken is voorzien in canon 1116, § 1. Als het paar zijn parochiepriester niet zonder ernstig bezwaar – en men mag zijn pertinent vasthouden aan de Novus Ordo Missae voor de huwelijksmis, of hun ongerustheid betreffende zijn morele lessen bij de huwelijksinstructies als zodanig beschouwen – en als zij omstandigheden voorzien die tenminste een maand zullen duren, dan mogen zij huwen ten overstaan van de getuigen alleen, en een andere priester (bijvoorbeeld van de Priesterbroederschap St. Pius X) indien mogelijk (canon 1116, § 2).

Zelfs als bovenstaande argumenten slechts als een waarschijnlijkheid gezien zouden mogen worden, dan zou in jurisdictie nog steeds met zekerheid worden voorzien door de Kerk (canon 144).
En dus moeten wij de vraag positief beantwoorden.

Traditionele priesters hebben zeker en beslist een jurisdictie die noch territoriaal noch gewoon is, maar waarin is voorzien met het oog op de noden van de gelovigen.